Onderwijsvrijheid is het recht van ouders om kinderen te laten onderwijzen op een manier die past bij hun opvattingen, zonder dat de staat bepaalde denkbeelden oplegt. Het is een internationaal recht dat in meerdere verdragen is vastgelegd, waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Sinds 1917 staat in artikel 23 van de Grondwet dat bijzonder en openbaar onderwijs door de overheid in gelijke mate gefinancierd moet worden. Nederland heeft daarmee een uniek systeem dat steunt op twee pijlers: bijzonder onderwijs (ruim zeventig procent) en openbaar onderwijs (een kleine dertig procent).

Bijzonder onderwijs
Particulieren, zoals ouders en levensbeschouwelijke groepen, richten een stichting of vereniging op om onderwijs te verzorgen vanuit hun waarden. Het kan om religieuze waarden gaan, maar dat hoeft niet. Ouders spelen in deze initiatieven een cruciale rol. Zij staan aan de wieg van de school en zijn vaak betrokken op bestuursniveau. We spreken van algemeen bijzonder onderwijs, als het onderwijs niet aan een religie of levensbeschouwing is verbonden. Algemeen bijzonder onderwijs gaat uit van de gelijkwaardigheid van levensbeschouwingen.

Openbaar onderwijs
De overheid, vaak een gemeente, neemt het initiatief en bestuurt zelf de scholen of besteedt dit uit. Zij stelt zich neutraal op ten opzichte van godsdienst en levensbeschouwing.

 

Pleidooi VBS

VBS pleit bij politiek en overheid voor het waarborgen van de vrijheid van onderwijs. Ouders moeten ‘maximale ruimte krijgen bij het kiezen van een school voor hun kind. Ook moeten zij een nieuwe school kunnen stichten (LINK schoolstichting toevoegen). VBS begeleidt initiatiefnemers. Interessant in dit kader is de publicatie over onderwijs in transitie: ’Speel met VBS verantwoord in op het onderwijs van overmorgen.’

 

Artikel 23 – Wat is onderwijsvrijheid?

Onderwijsvrijheid, een moeilijk begrip? Met dit filmpje maken we binnen twee minuten duidelijk waar het voor staat!