Vanaf 2026 zullen de middelen voor onderwijs en ondersteuning van (hoog)begaafde leerlingen in als structureel onderdeel van de bekostiging aan samenwerkingsverbanden worden toegekend. In een brief aan de Tweede Kamer bevestigde staatssecretaris Mariëlle Paul dat jaarlijks 23,3 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld voor dit doel. Daarmee zet het ministerie in op continuïteit van de regionale aanpak.
Het kabinet wil het aanbod dat de afgelopen jaren dankzij subsidieregelingen is opgebouwd, borgen en verankeren in de reguliere onderwijsfinanciering. De afhankelijkheid van jaarlijkse subsidierondes leidde tot onzekerheid bij scholen en samenwerkingsverbanden over continuïteit. Sommige projecten waren slechts tijdelijk haalbaar; bij beëindiging van de subsidie dreigde afbouw.
Inmiddels is bekend dat er vanaf 2026 een bedrag van ongeveer 9,80 euro per leerling wordt toegevoegd aan het budget voor zware ondersteuning (in primair en voortgezet onderwijs). De 23,3 miljoen euro wordt dus vertaald in een norm per leerling over alle samenwerkingsverbanden samen. Concreet hangt de verdeling af van het aantal leerlingen in het stelsel (gebundeld over alle samenwerkingsverbanden) en de wijze waarop de bekostiging wordt geïmplementeerd.
Voordelen en aandachtspunten
- Door de middelen structureel te integreren in de bekostiging van samenwerkingsverbanden, hoeven centrale en regionale besturen niet langer elk jaar te investeren in subsidieaanvragen. Daarmee wordt de continuïteit van onderwijsvoorzieningen en interventies voor (hoog)begaafde leerlingen gewaarborgd.
- Samenwerkingsverbanden zullen moeten afspreken hoe zij de extra middelen inzetten binnen hun regio: welke scholen, voorzieningen of projecten prioriteit krijgen, hoe expertise wordt gedeeld, et cetera. Dat kan per regio verschillen.
- Bovendien ontvangen samenwerkingsverbanden al bekostiging voor lichte en zware ondersteuning. Een risico is dat de extra middelen voor (hoog)begaafde leerlingen concurreren met andere prioriteiten binnen het ondersteuningsbudget van samenwerkingsverbanden. Het kan dus zijn dat samenwerkingsverbanden keuzes moeten maken: extra aanbod voor (hoog)begaafden versus versterking van andere vormen van ondersteuning.