Een bestuurder krijgt een melding van twee GMR-leden over de houding en het handelen van een (G)MR-lid. De bestuurder spreekt dit lid hierop aan en adviseert hem om te stoppen met zijn MR-werk. Volgens de MR kan een bestuurder een individueel (G)MR-lid echter niet aanspreken. Hij had de (G)MR in het geheel moeten aanspreken en heeft artikel 3 lid 12 van de Wms geschonden. De MR dient een klacht in bij de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS die zich niet ontvankelijk verklaart. Een beroep bij de Ondernemingskamer wordt gegrond verklaard, lees hier waarom.
Op grond van artikel 3 lid 12 Wms moet het bevoegd gezag ervoor zorgen dat leden van de medezeggenschapsraad niet vanwege hun lidmaatschap van de MR in hun positie met betrekking tot de school worden benadeeld. Deze verplichting geldt ten opzichte van individuele leden.
Oordeel Landelijke Commissie voor Geschillen WMS
De MR kan een geschil voorleggen wanneer het bevoegd gezag een verplichting in de onderwijswet of Wms tegenover de MR niet nakomt. Volgens de Commissie kan de MR ingevolge artikel 3 lid 12 Wms echter geen geschil voorleggen als het gaat om een verplichting tegenover een individu, zoals in onderhavig geval. Dit kan het individuele lid zelf doen. Nu geen sprake is van het niet nakomen van een verplichting van het bevoegd gezag tegenover de MR, is de MR volgens de Commissie niet ontvankelijk. Tegen dit oordeel gaat de MR in beroep bij de Ondernemingskamer
Oordeel Ondernemingskamer
- Artikel 3 lid 12 WMS houdt verplichting in jegens MR als geheel én individuele leden van de MR
In artikel 5 lid 9 van de Wet medezeggenschap onderwijs (een voorloper van de WMS) is een bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met het huidige artikel 3 lid 12 Wms. Dat artikel was, net als datgeen wat is bepaald in artikel 3 lid 12 WMS, afgeleid van artikel 21 Wet op de ondernemingsraden (WOR).Ter bescherming van de medezeggenschap bepaalt artikel 21 WOR dat de ondernemingsraad en iedere in de onderneming werkzame persoon die (kandidaat) lid is of was van de ondernemingsraad, de rechter kan verzoeken te bepalen dat de ondernemer er zorg voor dient te dragen dat leden van de ondernemingsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie in de onderneming.
Artikel 3 lid 12 Wms beoogt op gelijke wijze aan de leden van de MR bescherming te bieden. Zodat zij onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen optreden en de MR invulling kan geven aan haar taak als tegenmacht van het bevoegd gezag. Tegen deze achtergrond kun je ervan uitgegaan dat artikel 3 lid 12 WMS een verplichting inhoudt die geldt voor individuele leden van de MR en de MR als geheel.
- Bestuurder mag (G)MR-lid niet adviseren te stoppen met zijn MR-werk
De bestuurder mag het (G)MR-lid aanspreken op zijn of haar gedrag, omdat dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de bestuurder. De bestuurder mag echter niet het advies geven om te stoppen als (G)MR-lid. De leden van de (G)MR moeten immers onafhankelijk van het bevoegd gezag kunnen functioneren. Die onafhankelijkheid komt in het gedrang als de bestuurder advies geeft over de samenstelling van de (G)MR.
Door het (G)MR-lid te adviseren te stoppen met zijn MR-werk heeft de bestuurder er onvoldoende zorg voor gedragen, dat de leden van de (G)MR niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de school. Het beroep is daarom gegrond.
Lees hier de uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS en de beschikking Ondernemingskamer